Weidevogels in een moeilijk voorjaar

Het weidevogelgebied Crangeweer, nabij Stedum, was er klaar voor. Een tweede plasdrasgebied was aangelegd in de winter. De kade langs het Westerwijtwerder maar was omgevormd tot een natuurvriendelijke oever. Ruige mest was uitgereden over de kruidenrijke percelen. Nu moest het weer de rest doen. Maar dat gebeurde niet. De winter wist van geen wijken. Tot laat in het broedseizoen is het koud geweest, hebben we veel regen gehad en weinig zon. Daardoor hadden de weidevogels het zwaar dit voorjaar.

Door de aanhoudende vorst zijn vooral de kieviten later gaan broeden dan gewoonlijk. De kou bleef in april en mei echter aanhouden. In deze periode konden de volwassen vogels nog wel redelijk goed in hun eigen energiebehoefte voorzien, maar alleen de sterkeren hadden dan nog energie over om eieren te kunnen leggen. Er zijn weidevogels die na het opvetten in Nederland direct onverrichterzake terug zijn gevlogen naar het warme zuiden. Vooral de grutto vertoont dit gedrag in jaren met weinig kans op broedsucces. Daarnaast zijn er ook weidevogels die wel blijven, maar niet gaan broeden. Door de lagere temperaturen zijn er dus al minder broedparen. De vogels die wel eieren hebben gelegd, hebben vaak wel succesvol gebroed, de eieren zijn meestal uitgekomen.

nest

Aan de schilfertjes is te zien dat de eieren uit zijn gekomen.

Het bleef echter koud en nat. De pullen (jonge vogels) hebben energie nodig voor het groeien, maar dit voorjaar ging er veel energie verloren aan het warm en droog blijven. Daarbij bleef het voedselaanbod voor de pullen ver achter bij de vraag. Vooral gruttopullen zijn afhankelijk van insecten die op bloeiende bloemen, kruiden en grassen foerageren. Ook zijn ze gek op de gele strontvlieg, die vooral leeft in beweide percelen (koeiestront is de eerste levensbehoefte).

Maar door de lage temperaturen, kwam de insectentoevoer niet op gang. Er van uitgaande dat een gruttojong in de top van de groeispurt tot 10.000 insecten per dag nodig heeft, kun je nagaan wat voor desastreuze gevolgen dit voor de populatie heeft. In mei, in de eerste levensweken, zijn er dan ook veel pullen gesneuveld.

Als boer of beheerder moet je machteloos toekijken. Kruidenrijke vegetaties, plasdras, verlaat maaien en optimaal mozaikbeheer kunnen deze klappen bijna niet opvangen.

Het is begin juni dan ook erg rustig in de polders, dit is een trend die in meerdere weidevogelgebieden gezien wordt.

Ook in Crangeweer is het rustiger dan andere jaren. De kieviten doen het, ondanks de weersomstandigheden, redelijk goed. De pullen leven vooral van kevertjes, spinnen en bodemdiertjes. Hoewel de Tureluur een behoorlijke gelijkenis van gedrag en habitatseisen vertoont met de Grutto, lijkt de Tureluur tot een beter resultaat te komen dan de Grutto. De Scholekster is meestal wat later met broeden, maar in het veld wordt er al weer veel “gesoosd” (kenmerkend groepsgedrag van deze soort). Dat betekent dat een deel van de populatie niet (succesvol heeft ge)broed.

Op de langere termijn is er echter wel positief nieuws. De landelijke trend van een sterke achteruitgang van weidevogels lijkt af te nemen, meldt de Vogelbescherming op één van haar websites.

De laatste vijf jaar gaat de achteruitgang minder hard en sommige soorten, zoals de grutto en de tureluur, laten zelfs een lichte toename zien. De afname van de kievit en veldleeuwerik tempert. Dat blijkt uit de nieuwe Weidevogelbalans van Sovon Vogelonderzoek Nederland en Landschapsbeheer Nederland.

Het lijkt erop dat het op maat gevoerde beheer, als kruidenrijk grasland en aanpassing waterpeil, zijn vruchten afwerpt.

De afgelopen jaren is in een toenemend aantal gebieden met zulke graslanden bijgehouden in hoeverre het grutto’s lukte om jongen groot te brengen. De opgedane ervaringen werden telkens verwerkt in het collectieve weidevogelbeheerplan voor het nieuwe jaar.  Dat lijkt een succesvolle strategie te zijn, want in die gebieden is het percentage grutto’s dat jongen groot wist te brengen langzaam gestegen.

Ook in Crangeweer blijven we voor de langere termijn positief. Het extensieve beheer van de afgelopen 10 jaar op de kruidenrijke percelen, de aanwezigheid van plasdras en de openheid en rust in de polder staan aan de basis van succes van de aanwezige weidevogelpopulatie. We blijven ook altijd zoeken naar mogelijkheden in het inrichtings- en onderhoudsbeheer om het gebied verder te optimaliseren. Zo biedt een hoger slootwaterpeil in het gebied, meerwaarde in de foerageermogelijkheden voor pullen. Het bodemleven wordt beter beschikbaar en de pioniersvegetaties (waar insecten veelal foerageren) krijgen meer ruimte. Dit heeft wel gevolgen voor de boer (drainage, bodemstructuur) en het Waterschap (waterdoorvoer). Hierin zoeken we als agrarische natuurvereniging Wierde&Dijk actief mee naar oplossingen.

Concluderend kunnen we stellen dat 2013 een slecht jaar voor de weidevogelpopulatie is, maar op de lange termijn Crangeweer een goed weidevogelgebied met veel potentie voor de toekomst is.

Reacties zijn gesloten.